Dartelen

Enkelen weken na dat België in lockdown ging zat ik weer in de wachtzaal van de dierenarts. Onze favoriete plek. We zijn er kind aan huis. Enfin. Gezien er die dagen maar één persoon binnen mocht was ik even het kind aan huis. Toen de deur van de praktijk openging stormde Jos letterlijk als eersteklas wervelwind naar binnen (ik hing zoals gewoonlijk weer achter de lijn als sierraad), sprong ze gezwind op de operatietafel en kwispelde ze met een verliefde blik en met krullende mondhoeken naar haar favoriete persoon op aarde: de dierenarts.

Ik voel me op zo’n moment altijd een beetje het vijfde wiel aan de wagen. Inmiddels ben ik het gewend, maar af en toe vraag ik me af of ik geen adoptieprocedure zou moeten opstarten zodat Jos haar leven in een intieme omhelzing met onze dierenarts kan doorbrengen.

Bon. De verliefde blik vertrok even later naar een pijnlijke grimas toen de dierenarts her en der haar rug, heupen en gewrichten bepotelde. Jos geen fan. Ik geen fan. Dierenarts geen fan.

Het was een slechte ochtend geweest. Ik was uit bed geklauterd en op weg naar de badkamer had ik mijn blik naar de gang beneden geworpen. Daar lag een opgekruld hoopje ros me aan te staren. Ik wist aan haar blik en stand van oren (don’t ask, it’s my kid) hoe laat het was: Jos kon weer niet opstaan of bewegen. Dat rampscenario had zich al twee keer in de laatste twee maanden ontsproten. Wanneer ik haar vroeg dichterbij te komen kroop ze praktisch over de grond en piepte ze. Oren in de nek. Ze weigerde te eten of naar buiten te gaan. En toen ik het ultieme redmiddel nam (een tennisbal, that’s right) en het ding triomfantelijk omhoog hield terwijl het beest bleef liggen wist ik hoe laat het was. Ze weigerde door haar hurken te gaan om te plassen. Na een avond en nacht had ik me er dus ’s morgens al bij neergelegd dat ze het gewoon in huis mocht laten lopen als dat moest en ze niet anders kon. Mijn dweil lag al klaar in de hoek. Maar blijkbaar kan de blaas van Jos welgeteld achttien uur rekken en nog steeds niet ontploffen. Mijn hond heeft superpowers, I swear.

De pijn was telkens uitgemond met een bezoekje aan de dierenarts. Met een cortisonespuit en de raad ‘veel rusten (heeft er iemand al eens een golden retriever van de jacht ‘veel laten rusten’?) Dus zo gebeurde het meermaals dat Jos naast mij aan het bureau lag op haar kussen voor enkele uren terwijl de cortisonespuit zijn werk deed. Met haar hoofd op haar favoriete knuffel en op haar rug een opgewarmd kersenpitkussen (Nee, ik wist ook niet wat ik hoorde toen de dierenarts ons gebood dit te doen, trust me.)

Maar nu stonden we hier dus terug. Voor de derde keer in twee maanden. Toevallig was Jos weer beginnen wandelen na dat we een afspraak met de dierenarts hadden gemaakt die ochtend (duh). En dus kwispelde ze alsof er ’s morgens niets aan de hand was geweest, maar we wisten allemaal wel beter. Er passeerden wat veronderstellingen de revue. Een gekneusde staart bijvoorbeeld. Of een gebroken werveltje. Of een slecht zittend zenuwtje. Of nog zoveel andere dingen waar mijn ogen zo groot als schoteltjes van werden.

En zo werden we doorverwezen naar een andere dierenarts. Laten we hem voor de gemakkelijkheid even meneer X noemen. Meneer X is niet mijn favoriete persoon, maar naar het schijnt is hij ‘de beste in zijn vak’.

Een schone ochtend. We rijden de oprijlaan op van meneer X en zijn nederig stulpje (dat is een mopje. Meneer X heeft echt een gigantisch etablissement waar menig miljonair jaloers op zou zijn.) Tien minuten later ligt Jos buiten passed out op het gras, in elkaar gezakt door de verdoving. Wanneer we haar 27 kilo uitermate lomp gewicht optillen en naar binnen dragen moeten we haar op de onderzoekstafel leggen.

“Wadistprobleem?”

Ik weet niet of het nut heeft dat we ons verhaal vertelden aan meneer X (die ik door het mondmasker enkel zag fronsen) en video’s toonden van een piepende golden retriever die over de grond kroop. Maar ik weet wel dat we na ongeveer twintig minuten buiten stonden na de scan waarop niets te zien was. Met de raad nog eens terug te komen voor een andere scan. Een scan van 1200 euro. Meneer X had het vermeld alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Ik had even geslikt en wat nerveus gelachen.

Zal ik iets opbiechten?

Ik twijfelde. Wilde eigenlijk die scan en onderzoeken het àllerliefst in de kiem smoren en cancellen. Vooral op werkelijk àlle momenten die volgden na die dag: de momenten dat Jos vrolijk in het rond dartelde, een halve marathon liep en haar tennisbal gezwind opving tijdens een sprong van een meter hoog (en nadien uiteraard weer netjes neerkwam en enthousiast verder galoppeerde alsof er niets gebeurd was.)

Maar de dag kwam dat we naar meneer X moesten. En we deden de scan. En alle extra bloedonderzoeken. Voor de zekerheid. Jos lag weer op de operatietafel terwijl hij beelden nam en haar als een slachtkoe uit elkaar trok (als ze nog geen hernia had, dan had ze het volgens mij nu wel). Ze moest een paar uur recoveren in de praktijk en dat waren weer de langste uren van de voorbije maand. Toen we ze gingen halen uit een kleine, kale kennel en haar infuus uit haar poot mocht rende ze rondjes rondom ons als een bezetene.

Wat eruit verder kwam, uit al die onderzoeken?

Niets. Pico bello heupen om ‘U’ tegen te zeggen. Een rug die praktisch een prima salto kon maken en gezond bloed tot de miljoenste macht.

Ik wist de dagen nadien niet goed of ik moest lachen of huilen. 1200 Euro als cadeau doneren om te weten dat onze hond hier kerngezond is en gewoon wat mopjes met ons aan’t uithalen was (misschien zelfs gewoon om nog eens naar haar favoriete dierenarts te kunnen, wie weet. Kreng.)

 

En dan maar denken aan die nieuwe zetel die we al even willen. Handenvol geld kost het beest.

Maar ze kan zo mooi dartelen. En achter haar tennisbal aanrennen. Dus we negeren het maar weer en sparen nog wat verder voor het volgende mopje.

 

2

Leave a Reply

Translate »